De individuele vrijheid in 2008

Laten wij nogmaals zeggen dat wij niet beweren dat het ideaal van de individuele vrijheid is ontstaan als reactie op de tweede wereld oorlog. Het is al enkele eeuwen in de opkomst in het moderne Europees denken. Het was een van de uitgangspunten voor de Franse revolutie (Liberte) en ook van de politieke stroming, het liberalisme dat inmiddels ook al een paar eeuwen oud is. Hij past wel precies bij de eerste twee pijlers. Door discriminatie te verbieden en de nationale identiteit af te keuren hebben wij eigenlijk alle groepsidentiteit overboord gegooid wat alleen maar de individuele identiteit overlaat. Het was dus vanzelfsprekend dat de individuele vrijheid ook een pijler van de politieke correctheid zou worden.

De stelling is meer dat de individuele vrijheid na de oorlog tot een dogma is verheven en dat wij hier te ver in zijn gegaan wat heel slechte gevolgen voor de samenleving heeft gehad. Door alleen maar van het individu uit te gaan, hebben wij zicht op het collectief verloren en door alsmaar de vrijheid te benadrukken hebben wij de verantwoordelijkheid verwaarloosd. Dit is lang niet zo’n omstreden stelling als de vorige twee over het nationalisme en discriminatie. De meeste Nederlanders zullen het wel ermee eens zijn dat het individualisme in onze samenleving uit de hand is gelopen. Laten wij dus eerst kort samenvatten wat de gevolgen hiervan zijn geweest en daarna bekijken hoe het zover is gekomen.

Ten eerste, siert het ons (Nederland) dat wij het experiment in de individuele vrijheid zo ver hebben doorgevoerd. De beroemde Nederlandse tolerantie is gebaseerd op respect voor de individuele vrijheid en veel goede dingen zijn eruit voortgekomen waarvoor wij de bewondering van de hele wereld oogsten. Wij hebben onze vrijheid van godsdienst, de vrije liefde, het accepteren van de homoseksualiteit en wetgeving over abortus, euthanasie en softdrugs allemaal hieraan te danken. Vele goede dingen, dus.

Maar… alles waar te voor staat is slecht en de doorgeschoten individualisering heeft naast die positieve dingen ook veel schade teweeggebracht.

Het heeft het idee van gemeenschappelijke normen en waarden ondermijnd want elk individu moet nu zijn eigen normen en waarden verzinnen. Dit brengt veel spanning in de samenleving omdat wij niet meer weten wat wij van een ander kunnen verwachten of hoe een ander over dingen denkt. Het is elke keer weer afwachten hoe iemand zich op zal stellen.

Het heeft de collectieve sector buitenspel gezet en de weg vrijgemaakt voor het marktdenken op alle terreinen. Het marktdenken hamert er namelijk op dat het individu altijd voor zichzelf moet kunnen kiezen en nooit gedwongen moet worden om met een collectieve aanpak mee te gaan. Dit heeft tot het ideaal van de terugtredende overheid geleid, waarbij de overheid alleen maar voorwaarden voor een markt schept en het individu steeds zelf beslist. Helaas hebben wij daarmee een belangrijke rol van de overheid uit het oog verloren. Het is altijd één van de taken van een democratische regering geweest om de collectieve wil uit te voeren; de overheid was er juist om het collectieve optreden te bewerkstelligen: een publieke zorg, openbaar vervoer, ruimtelijke planning enz.

Het heeft de maatschappelijke solidariteit uitgehold want niemand is verantwoordelijk voor iets buiten zichzelf. Vroeger hadden wij een publieke zorg en gedeelde normen en waarden die het vanzelfsprekend maakte dat je je naaste zou helpen.Nu wij die overboord hebben gegooid is het is zo schrijnend geworden dat er rare wetten bedacht worden (Wet voor Maatschappelijke Ondersteuning ) waarin individuen verplicht moeten worden gesteld om hun buurman te helpen.

Dit alles leidt tot minder respect voor de samenleving wat wij nu overal terugzien. Een groot voorbeeld hiervan is het toenemende geweld tegen ambtenaren (politieagenten, ambulance chauffeurs enz). Een klein voorbeeld hiervan is dat wij anno 2008 veel vaker fietsers op de verkeerde weghelft zien, tegen het verkeer inrijdend dan in 1985.

Nogmaals, de opkomst van de individuele vrijheid is niet alleen iets van na de oorlog. Ook het besef van de gevaren van het nationalisme en discriminatie dateert van voor die tijd. Maar wij hebben door de trauma van de oorlog deze uitgangspunten krampachtig aangeklampt en tot absolute dogma’s verheven en de menselijke maat daarin overboord gegooid. Het is aan de ene kant begrijpelijk dat wij duidelijke regels zochten om herhaling van die gruwelijkheden te voorkomen en dit leken hele gezonde basisprincipes te zijn. Helaas, de realiteit is te ingewikkeld voor absolute dogma’s en de gemiste nuances leiden altijd weer tot andere problemen zoals een tapijt die niet goed past steeds ergens anders een bult heeft, hoezeer je je best ook doet om het plat te krijgen.

Wij zien de politieke correctheid als een soort noodwet die wij in onze eerste schrik om de holocaust hebben opgeworpen om de situatie te stabiliseren en een eerste kader te geven voor verdere ontwikkelingen. Je zou het kunnen vergelijken met een avondklok in een stad waar rellen zijn uitgebroken. Een strenge controle stabiliseert de situatie en wint tijd om de gemoederen te laten bedaren. Maar op gegeven moment moet je de avondklok opheffen en de noodwet terugdraaien anders verstikt de maatschappij en gooien we uiteindelijk het kind met het badwater weg. Wij denken dat het nu zover is voor de Westerse samenleving en wij proberen hiermee de noodklok te luiden.