Vuistregels voor privatiseringen anno 2008

1. Publieke Nutsmonopolies willen wij niet privatiseren. Ten eerste omdat zij publiek zijn (van en voor ons allemaal), ten tweede omdat ze monopolies zijn (geen concurrentie= geen marktwerking). Verder heeft de ervaring geleerd dat winstbelangen voor de uitvoerder vaak haaks staan op publieke belangen (onderhoud, enz.).

2. Wij hebben meer vertrouwen in een privatisering als de vrije markt uit zichzelf al staat te dringen om dezelfde diensten aan te bieden.

3. Wij hebben minder vertrouwen in privatiseringen waarbij bedrijven naar de markt gelokt moeten worden door overheidssubsidies en verkoop van staatsbezittingen, enz.

4. Wij hebben geen vertrouwen in een markt waarbij subsidies een structurele plaats innemen. Laten wij duidelijk zijn: Als een organisatie aan het einde van het jaar subsidiegeld overhoudt dan heeft ze heus geen winst gemaakt.

5. Wij zien liever een geleidelijk liberaliseren van een markt dan een plotselinge volledige privatisering. Dit bevordert de continuïteit en de stabiliteit en houdt oligopolie gevaren tegen: Laat de overheid de betreffende dienst blijven leveren en laat privé ondernemers daarnaast gaan concurreren. Als de overheidsinstanties inderdaad zo bureaucratisch en inefficiënt zijn, zullen die binnen enkele jaren weggeconcurreerd worden maar dan hebben wij een geleidelijke, verantwoordelijke overgang gehad.

6. De postmarkt, bijvoorbeeld, kan volgens ons vrij ver geliberaliseerd worden want er komen steeds maar meer koeriersbedrijven enz. erbij die zelfs op het platteland aardige dekking geven. Wij moeten wel rekening houden met het bedienen van de postbussen dat ook een monopolie is (of willen wij dat elke bedrijf zijn eigen bussen overal mag plaatsen?) maar in grote lijnen ziet het er goed uit.

7. Bij de energiemarkt, echter, zien wij veel liever dat de grote centrales voorlopig in publieke handen blijven en dat de energiebedrijven hun eigen infrastructuur neerzetten waarmee ze denken winstgevend te kunnen concurreren.